Op 2 jan. 1998 wordt gestart met de verbreding van de geulbrug tussen Tolhuisstraat en Breeweg. Er wordt een noodbrug aangelegd voor voetgangers en fietsers
Voor de inwoners van Schin op Geul en Strucht is het heel gewoon dat ze, via de Breeweg en de Tolhuisstraat , zonder omwegen bij elkaar over de vloer kunnen komen. Toch was dat niet altijd zo vanzelfsprekend. De meeste dorpsgenoten weten wel dat de brug, die nu de verbinding vormt tussen de Breeweg en Tolhuisstraat, nog vrij jong is. In 1998 werd de oude brug vernieuwd, met als doel bij hoog water meer doorstroming van de Geul te realiseren. Deze oude brug was de vervanger van de brug die op 10 mei 1940 door Nederlandse soldaten werd opgeblazen, in een poging de opmars van de Duitse troepen te vertragen.
Tot het jaar 1754 was er in Schin op Geul geen brug over de Geul die de verbinding vormde met Strucht. Schin op Geul en Strucht waren twee aparte gemeenten en de inwoners van die twee dorpen moesten bij hoog water via Valkenburg reizen om elkaar op te zoeken.
De plannen om een brug te bouwen dateren uit 1754. De burgemeesters van Schin op Geul en Strucht dienen op 16 augustus 1754 een verzoek in bij de Commissarissen en andere leden van de Staet des Lands Valckenborgh om een brug over de Geul te bouwen.
In het verzoek wordt gevraagd om de benodigde gelden voor de bouw van overheidswege beschikbaar te stellen. De bouw van een brug zal immers een verhoging van de welvaart in deze streek betekenen. Meer welvaart zal inhouden: meer inkomsten voor de adel, Baron van Hammerstijn, heer van Strucht en Baron Hoen van Cartils, heer van Schin op Geul. Zij zullen immers via het feodale belastingstelsel (tiendrecht) fors in de welvaart meedelen.
De burgemeesters vragen ook toestemming om tolgeld te heffen bij het passeren van karren met paarden, en van ander vee.
De kosten voor de bouw van de brug bedragen een kleine 2000 gulden. Om dit bedrag goed te kunnen inschatten moet u zich realiseren dat het dagloon van een metselaar of timmerman in die tijd vijftig cent bedraagt. Een blok mergel kost vijfenveertig cent, een pond ijzer vijfenzeventig cent, voor één ‘nagel’ moet een aart (iets meer als een cent) betaald worden
Johannes Munix uit Strucht, een van de twee aannemers die de brug gebouwd hebben, krijgt als eerste de bevoegdheid om tol te heffen. Hij mag een deel zelf houden. Het bedrag aan tol dat Munix afdraagt is niet erg hoog. In een akte uit 1758 is sprake van zes gulden.
Zijn opvolger, Arnold Wevers, wordt op 4 december 1761 benoemd tot tollenaar. In zijn contract staat dat hij een derde van de tolgelden zelf mag houden en dat dus tweederde deel bestemd is voor de ‘overheid’. Op 16 februari 1762 draagt Wevers twee en veertig gulden en vijftig cent af. Dit bedrag is dan het verschuldigde deel van de tol die hij vanaf 4 december 1761 geïnd heeft, dus in ongeveer twee maanden.
Het is erg moeilijk te verklaren waarom Wevers zoveel meer tol dan Munix afdraagt. Komen er opeens meer mensen over de brug? Heeft Munix een veel gunstiger contract gesloten? Of nam Munix het niet zo nauw met de afdracht en de tolheffing?
Allemaal vragen waarop we (nog) geen antwoord hebben. Maar heb je belangstelling voor de geschiedenis van Schin op Geul en wil je ons helpen, neem dan contact op met de Heemkundevereniging (johnvanweersch@ziggo.nl / 06 18902051).


